Twee moedige moeders

September 2015. Er zijn twee vrouwelijke deelnemers, beiden werkzaam in de universitaire wereld. Verschillende universiteiten, dat wel. En de een is wetenschapper, de ander een senior professional in de ondersteunende diensten. De dames liggen elkaar. Ze genieten van mijn kookkunst – hoewel ik vermoed dat ze meer genieten van zelf niet te hoeven koken dan van het resultaat.

Tijdens de wandelingen op zoek naar een goede plek om de Time Alone door te brengen voel ik de spanning stijgen. Het is maar 24 uur, maar toch best eng. Ze willen weten of er beesten zijn. Die zijn er. Wilde zwijnen, vossen, herten, dassen, slangen, insecten, relmuizen. Maar het is geen kinderboerderij. Je moet echt geluk hebben wil je er wat van zien. Geluk? Geluk?

Ze zijn stoer. Met een heldere intentie gaan ze na elkaar op pad, als het zover is. Ik zal voor ze bidden. De komende 24 uur zijn de raarste voor mij als begeleider. Net of je kinderen voor het eerst uitgaan. Als een bezorgde ouder drentel ik de hele dag maar wat rond. Ik doe een wasje. Ik kijk naar buiten. En ik kijk naar het weerbericht. Het ziet er goed uit.

Als de avond valt betrekt opeens de lucht. Het kan vreemd tekeer gaan in de bergen, maar meestal ontspringt ons dal de dans. Ik ga het dak op om meer te kunnen zien en schrik me dood. De hemel kleurt zwart. De eerste bliksem barst los. Alsof iemand naast je een zweep laat klappen. Het is heel dichtbij. Dan barst er een waterbom open. In tien seconden is alles en iedereen doorweekt. Grote God – wat nu. Ik wil ze gaan halen, maar het is te gevaarlijk. Alles is nat, je glijdt zo uit over een richel. En met die bliksem… Dan valt het licht uit. De electriciteitsmast is geraakt.
De straat voor mijn huis verandert in een rivier. Het water kolkt de berg af. De olijfbomen staan te schudden in de plotselinge windvlagen. Ik vind het binnen al eng. Kan je nagaan hoe die vrouwen dat buiten moeten hebben…

En dan opeens is het voorbij. Het druppelt nog wat na. De zon laat zich voorzichtig zien. Een half uur later lijkt het alsof er niets is gebeurd. Het is weer warm. Wel nat. En de rivier beneden kleurt bruin.

Dan valt de avond, het wordt donker. Het weer blijft rustig op een enkele verre donderklap na.

De volgende morgen om 8 uur komen ze binnen. Ze hebben wel geschuild, goddank. Een heeft zich toen het begon te regenen helemaal spiernaakt uitgekleed, haar kleren in een grote plastic zak gestopt en zo gewacht tot het voorbij was. De ander was natter geworden en had het daarna ook koud gehad.

Alle twee gaven ze een eigen metaforische betekenis aan de donderbui. Ze hadden ieder een kind gekregen dat ze voor grote vragen had gesteld. En net als met die donderbui: het gebeurt met je, je moet je ertoe verhouden ook al heb je er geen invloed op, en je zult heel nadrukkelijk ook voor je eigen welzijn moeten zorgen. Waarvan akte. Ik kijk af en toe naar de foto van hun ontbijt na terugkomst. Zelden twee vrouwen zo sterk en vrolijk en echt zien zijn.